Vera (kort verhaal)
Jan Siebelink
Links de boulevard , onlangs geasfalteerd, en direct op de hoek koffiehuis Klein Seinpost, herkenbaar aan de groene windschermen. Een gezelschap zoekt er plaatsen. De vrouw die nu het terras oploopt, fier én ingetogen – het type dat wanneer ze een openbare gelegenheid binnengaat zich uit onzekerheid een zekere arrogance aanmeet – hoeft zich geen weg te banen. Men gaat voor haar opzij. Opvallende vrouw, in de pastelblauwe zomerjurk van dun katoen, passend bij de tint van haar ogen, het roodbruine haar, de bloedkoralen oorhangers. Een ober schiet toe. Ze hoeft nooit lang te wachten. Het is een eer om haar te bedienen. Ze schuift de zonnebril op haar voorhoofd, bestelt een citron pressé.
De winkels waren in de Vlierboomstraat. Mamma liep, de boodschappentas aan haar arm.Vera fietste op de driewieler naast haar, vroeg honderduit over de heks. ‘Woont een heks altijd in een hut?’ ‘Nee, ook wel in kleine huisjes van steen,met een voordeur waarvan de bovenste helft apart open kan.’ ‘Waar zijn die huisjes dan?’ ‘Overal in de stad.Vooral in hofjes waar oudemensen wonen. Maar Poekie, heksen bestaan niet echt, hoor.’ Nadat ze boodschappen hadden gedaan, zeulde mamma met haar dikke buik de zware tas de buitentrap op. Ze woonden op een bovenhuis aan de Perziklaan.
Vera’s moeder verafschuwde het huishouden. Na het avondeten liet ze de afwas staan en ging met haar dochter op het kleine balkon van de bovenwoning zitten, dat uitkeek op de blinde zijmuur van een pand aan de Kruisbessenstraat. In potten stonden kruiden. Toch een tuintje. Het stelde eigenlijk niet veel voor, maar je zat buiten.
Wat haalde ze zich in haar hoofd? Een man van omstreeks veertig. Hij was natuurlijk getrouwd en zou wel kinderen hebben, nauwelijks veel jonger dan zijzelf. Bang om belachelijk te zijn als ze helemaal alleen in die hal zou worden aangetroffen, ging ze naar buiten, liep eenmaal rond het gebouw, pakte haar fiets, zag het verlichte raam van de docentenkamer. Dat was wonderbaarlijk. Hij bezorgde haar duizelingen. Op weg naar huis stelde ze zich zijn gezicht voor, de grijsblauwe ogen, de rechte neus, en zijn stem, die snel geémotioneerd en gejaagd klonk. Vlak voor ze linksaf de Javastraat inreed, bijna slipte op de trambaan, achter de tram richting Kijkduin, reed hij haar achterop, riep uit zijn autoraampje dat hij aan de overkant zou stoppen.
Opnieuw de olielampjes, de kleurige kussens, de rode loper over de hele breedte van het overdekte terras. Daniël was getrouwd geweest. Zijn vrouw, drie maanden zwanger, verongelukte voor zijn ogen. Dat was vijftien jaar geleden gebeurd. Sinds enkele jaren woonde hij weer in Den Haag. Met zijn vader ging het niet zo goed. Zijn ouders hadden een banketbakkerij in de Wagenstraat gehad. Nu was de zaak wegens schulden gesaneerd en woonden zijn ouders boven de winkel. Je houdt veel van je ouders, hè?’ ‘Ja, jij toch ook?’
‘Dag vader.’ Ze kuste hem en streek even over zijn arm. Hij onderging dat genot intens, en legde zijn handen op haar schouders. Danièls vader was geen man om uitbundig of uitgelaten te doen. Gemoedstoestanden die de verzoenende genade van de Heer Jezus Christus zouden belemmeren. (Van Jezus was niet bekend dat Hij hard had gelachen; grote vreugde behoor je innerlijk te verwerken.) Maar hij straalde. De ogen van Danièls vader stonden vol helderblauw licht. Daniël en zijn moeder keken vanuit de huiskamer toe.
Vera vroeg wat hij aan het lezen was. Hij negeerde haar vraag, bleef haar aankijken. Deze jonge vrouw, opgevoed in een atheïstisch gezin, zonder duidelijk geloof in God, in het eeuwige leven, was in zijn optiek zondig en zou, als ze zich niet tijdig bekeerde (maar een mens kon zich toch niet bekeren – het stond al voor je geboorte vast of je zalig zou worden?), na haar dood op de plaats terechtkomen waar ‘weninge was en tandengeknars’. In het geval van Vera maakte geloof of ongeloof, uitverkoren of verdoemd zijn niets uit. Zij was voor hem de belichaming van alles wat mooi en aanbiddelijk was. Zij was zijn levende religie. Hij was niet ver meer van het moment waarop hij zijn geloof, en daarmee zijn eeuwige leven, voor haar zou opgeven. Noch voor zijn vrouw, noch voor zijn zoon zou hij dat doen.
Jan Siebelink
Jan Siebelink was een docent Nederlands en Frans. Hij werd vooral bekend om zijn bestseller uit 2005, de roman ‘Knielen op een bed violen’. Met meer dan 800.000 exemplaren verkochte exemplaren de best verkochte na-oorlogse roman.
Siebelink schreef ‘Vera’ een paar jaar eerder, in 1997. Het boek werd echter pas een groot succes toen het in 2006 opnieuw uitgegeven werd.
Vera Melchers zit op een terrasje en kijkt terug op haar leven. Ze is een vrouw die geboren en getogen is in Den Haag. Haar ogenschijnlijk perfecte leven met een toegewijd huwelijk en de liefdevolle opvoeding van haar dochter wordt verstoord door herinneringen aan haar schooljaren, haar relatie met haar ouders, haar man, haar dochter en haar jongere zusje.
In ‘Vera’ schreef Siebelink al over de godsdienstige kring waar zijn vader toe behoorde, een thema dat hij in ‘Knielen op een bed violen’ zou uitbouwen.


